Wat kost een Belgisch beleggingsfonds werkelijk?

De meeste kostenvergelijkingen gaan over Amerikaanse fondsen en over één cijfer: de lopende kosten. Voor een Belgische belegger klopt dat beeld niet, en het klopt op de duurste manier niet — hier komt er een instapkost bij die in die vergelijkingen niet voorkomt.

Wat de toezichthouder meet

De FSMA onderzocht de kosten van Belgische openbare instellingen voor collectieve belegging, samen goed voor 216 miljard euro nettoactief op 31 maart 2024.

De instapkost is het stuk dat je nergens anders leest

Een instapkost gaat van je inleg af vóór er iets belegd is. In het eerste jaar weegt ze zwaarder dan de lopende kosten zelf. Bij wie maandelijks inlegt, komt ze bij elke storting terug.

Wat het verschil over twintig jaar doet

Bij een verondersteld brutorendement van 7% per jaar laat een fonds met 1,4% lopende kosten na twintig jaar 24,6% van je eindwaarde achter bij het kostenloze geval. Een brede indextracker met 0,22% laat er 4,3%. Over dertig jaar loopt het eerste op tot 34,5%. Die 7% is een aanname om het effect te tonen, geen voorspelling.

De asymmetrie waar het om draait

De kosten ken je op voorhand, het rendement niet. Een fonds dat 1,4% vraagt tegenover 0,22% moet dat verschil eerst goedmaken voordat het iets toevoegt — elk jaar opnieuw, ook in de jaren dat het slecht gaat.

Wat deze pagina niet zegt

Welke van de twee je zou moeten nemen. Kosten zijn één van de dingen waarop fondsen verschillen; de rest van de afweging gaat over je horizon en je risicodraagkracht, en die kennen wij niet.